Midwintertocht 2002
(27 jan 2002) Verslag: Leo vd Hoek
Afgelopen zomer ben ik een keer of drie wezen wildwater varen in Oostenrijk. Door gebrek aan talent bracht ik menig moment onder water door. Tijd dus om lid te worden van een kano vereniging. Begin januari startte de cursus eskimoteren. Al na de eerste les werd ik attent gemaakt op de wintertocht van 27 januari. En bij de tweede les werd de druk door Sjoerd en Ad licht opgevoerd om deel te nemen. Ik ben altijd wel te porren voor een geintje, dus besloot ik mee te gaan.
Zaterdag 26 januari kreeg ik toch
wel schrik van mijn besluit, want het was absoluut hondenweer.
Gelukkig kan het weer in Nederland zo omslaan en begon de
wintertocht een dag later in soort van zacht voorjaarsweer. Bij de
opstapplaats (Bermweg te Capelle a/d IJssel) moest het dan echt
beginnen. Hier herinnerde ik mij de evenwichtsstoornissen uit
Oostenrijk en hoewel het water niet erg wild is in Nederland, kon
ik mij nog goed herinneren dat ik soms door de lichtste
waterbewegingen omtuimelde. Ik was toch wel bevreesd een tocht van
24 km af te leggen met de gedachte misschien wel in het begin om te
slaan. Maar ja, als je er eenmaal bent, kan je net zo goed kijken
hoever je komt.
We peddelden door het kanaal bij Capelle en Sjoerd probeerde mij een beetje peddeltechniek bij te brengen. Dat lukte niet zo erg, want ik merkte al snel dat mijn armen en schouders niet gewend waren aan het voortdurend peddelen. Aangekomen bij Nieuwekerk a/d IJssel moesten we overstappen om in het kanaal van Nieuwekerk naar Zevenhuizen te varen. Daar ging het mis. Bij het op de kant hijsen van de kano gleed ik weg en belandde met mijn volle gewicht op de kano van Jeroen. Een scheur in de zijkant van zijn kano was het gevolg. Gelukkig was de kano niet lek en konden we onze tocht vervolgen.
Doordat Jeroen en Sjoerd mij
begeleidden werd het voor hen wel en erg rustig tochtje. Door mijn
tempo kwamen we behoorlijk later dan de andere deelnemers bij de
tussenstop, de Roerdomp, halverwege de tocht. Ik moest daar uit de
kano klimmen om mijn futloze lichaam te voorzien van voedsel en
vocht. Maar hoe moest ik uit de kano komen, want er kroop niet een
druppeltje bloed door meer door mijn benen. Strompelend bereikte ik
een tafeltje bij de Roerdomp.
Mijn vrouw en kinderen waren naar de Roerdomp gekomen om me even
aan te moedigen (of om uit te lachen, dat weet ik niet helemaal
zeker). Samen met de medepeddelaars en de begeleiders in de
bezemwagen hebben we dus ruim de tijd gehad, gezellig van de lunch
te genieten.
Ondertussen werd ik steeds somberder over de afloop van de tocht.
De eerste helft van de tocht had ik in ruim twee uur en een
kwartier afgelegd. Doordat het eten zo lang op zich had laten
wachten bleef er steeds minder tijd over om voor het donker de
tocht af te ronden. Bovendien had het eten mij wel goed gedaan,
maar ik voelde mij moe om maar niet te zeggen een soort van
uitgeput. De weersvoorspellingen van die dag gaven aan dat de wind
en regen in de loop van de middag zouden toenemen tot een zeer
onaangenaam niveau. Ik schatte in dat de tweede helft van de tocht
hierdoor veel zwaarder en wellicht onhaalbaar zou zijn.
Opgeven wilde ik niet, althans niet voordat ik helemaal kapot
zat. Om Jeroen en Sjoerd niet langer in de door mij veroorzaakte
misère mee te trekken, vroeg ik Sjoerd of ze mij wilden
begeleiden over de Rottemeren naar de Rotte. Daarna beloofde ik
netjes langs de kant te zullen varen en in geval van nood mij door
de bezemwagen op te laten halen, zodat zij zonder mij nog iets van
de tocht konden maken. Toen ze dat niet deden en de hele tocht bij
mij bleven, protesteerde ik zeker niet omdat ik er zeker een vorm
van morele steun uit haalde. Een aantal andere peddelaars deed het
inmiddels ook wat rustiger aan, waardoor de groep tijdens de tweede
helft van de tocht groter en dus voor iedereen gezelliger was. Ik
fluisterde Sjoerd in dat zo'n wintertocht niet het meest uitgelezen
evenement is, nieuwkomers enthousiast te maken voor vlakwater
varen.
Tot mij eigen verbazing begon ik
sterk aan de tweede helft van de tocht. Ik wist tamelijk goed hoe
de route van de tweede helft van de tocht in elkaar steekt. Ik
kreeg in de gaten dat ik vrij snel een aantal herkenningspunten
passeerde. Wel was ik bevreesd dat ik later nog een flinke
inzinking zou krijgen en dat mijn benen het inmiddels bekende
amputatie-niveau zouden bereiken. Mijn wanhoopspoging de tocht af
te maken, werd beloond met een portie mazzel. De wind hield zich
rustig en slechts tijdens de laatste twee kilometer begon de regen
een beetje door te zetten en daardoor werd het ook iets eerder
donker. Met de haven in zicht maakt dat niet zoveel meer uit. Wat
mij betreft mocht het aambeelden gaan regenen, ik wist nu zeker dat
ik het zou gaan halen. Het zal wel aan de stroming hebben gelegen,
maar de tweede helft van de tocht ging zelfs sneller dan de
eerste.
Aangekomen bij het clubhuis van RCC,
kon Ad het niet nalaten mijn uitbundigheid in te tomen door mij er
fijntjes op te wijzen dat ik wel de achterhoede van de tocht had
gevormd. Ik probeerde hem wijs te maken dat ik dat juist had gedaan
om vanuit de achterhoede het tempo van de groep op te voeren.
Misschien kwam het door de doffe blik in mijn ogen, maar Ad was
zeker niet overtuigd.
Kano's nu nog snel in de opslag, warme kleding aan en rond de kachel genieten van de zelfgemaakte soep van tante Nel. Een paar fikse slokken rumpunch bracht de rest van mijn lichaam weer in menselijke conditie.
- - -
