De Geschiedenis van RCC: 1960 - 1980
Op particuliere werven aan de Bergse Plassen en aan de Kralingse Plas zijn nog maar weinig kano's over.
Wel worden er hier en daar nog wat boten verhuurd, maar dit is langzamerhand niet mee lonend. Aan de Kralingse Plas zijn nog drie kanoverenigingen overgebleven:
K.V.C Kralingsche Cano Vrienden
K.C.C. Never Dry ( Kralingsche Cano Club
R.C.C. Rotterdamse Cano Club.
De eerste vereniging is slechts in naam een kanovereniging. Er liggen enkele zeil- en motorboten voor de wal en binnen wat ongebruikte kano's. Kortom : een onderonsje, want nieuwe kano-enthousiasten worden niet toegelaten.
K.C.C. Never-Dry houdt zich bezig met de wedstrijdsport op vlakwater. Bas v.d.Ster, Huib Struyk, Cees ven Putten en John Doejaaren zijn bekende namen.De R.C.C. kwam in bijna dezelfde toestand als K.C.V. de vijftiger jaren uit. 's Winters werd het stallingsgedeelte van het clubgebouw volgestouwd met enkele zeilboten en een motorboot, terwijl de kano's richting nok verhuisden. Dit alles diende om de kas enigzins op peil te houden, maar tevens speelde eigenbelang hier een rol.
De Gemeente Rotterdam werd door een naar uitbreiding hunkerende naburige particuliere werf op deze neergaande lijn in de kanosport attent gemaakt. Toen bij K.C.V. dan nog nieuwe leden wegens plaatsgebrek geweerd werden, was de maat vol en moest deze vereniging het veld ruimen ten gunste van werf J. Wismeyer.
Enkele leden vreesden dat deze ontwikkeling ook de R.C.C. ten deel zou vallen en probeerden het bestuur te bewegen zeil- en motorboten te weren ten gunste van nieuwe leden met kano's. Het bestuur was hiertoe niet bereid. Op de ledenvergadering van 1963 moest het zittende bestuur dan ook plaats maken voor een meer kano-minded bestuur, bestaande uit : voorzitter Henk Voets, penningmeester Hans van Doesburg, secretaris Hans Mertens, commissaris Jan van den Berg en commissaris Rinus van der Sman.
Vanaf dat ogenblik is de R.C.C. als kanovereniging in velerlei opzicht weer tot leven gekomen.
Vele zaken werden ter hand genomen. Allereerst werd het clubgebouw aan een grondige opknapbeurt onderworpen. Nieuw rubberoid op het dak, in de kanostalling werd de koolasvloer betegeld, in het zaaltje werd de vloer vernieuwd, "-nieuwe" kasten werden aangekocht op een dumphandel in Gorinchem (in n ervan stond nog de noodkreet uit 1948 : "help ! ik moet naar Indi en de triplex scheidingswand tussen stalling en zaaltje werd vervangen door de beroemde kraaldeeltjes. Al met al waren dit dermate kostbare ingrepen dat de verenigingskas ze onmogelijk dragen kon. De Gemeent Rotterdam hielp een handje met een eenmalige subsidie voor scheidingswand en vloer (.f 2000,-). Het opzetten van een bescheiden kantine met alcoholvrije dranken, koeken enz., het werven van nieuwe leden en een verhoging van de contributie hielpen de clubkas alle aderlatingen goed te doorstaan.
Ook het kanoën werd niet vergeten. Na een hernieuwd
lidmaatschap van de Nederlandse Kano Bond werd er voor het eerst
sedert jaren weer deelgenomen aan tochten die door andere
verenigingen werden
georganiseerd. Het vervoer van de kano's was het grootste probleem.
Firma Blazer bracht uitkomst met een G.M.C.-kipauto. Een geleend
kanorek werd in de bak geplaatst, de auto werd beplakt met een rol
behang met tekst en zo ging de "Bollenexpress" richting Haarlem. De
deelnemers zelf gingen per trein, bromfiets of liftend.
In de praktijk voldeed deze vorm van kanovervoer niet geheel,
immers, de G.M.C.-veren gingen pas werken als ze met enkele tonnen gewicht werden belast. Beschadigingen aan de houten toerkano's en R-l-S-en waren dan ook bijna niet te voorkomen. De behoefte aan een speciale kanowagen deed zich al snel voelen. Na veel wikken en wegen werd in het najaar van 1964 aan fa. Van der Kraan in Vlaardingen de opdracht gegeven een kanowagen te construeren voor het vervoer van negen R-l-S'en en drie toerkano's. Begin 1965 kon het nieuwe voertuig worden beproefd tijden een rit naar Haarlem voor de Bollentocht. Een van de weinige leden met een eigen auto, Hans Mertens, kreeg aan zijn Volkswagen-kever een trekhaak aangemeten van de vereniging. Met deze combinatie zijn heel wat dag- en weekendtochten in Nederland gemaakt, zoals de Bollentocht te Haarlem, Traversee d'Amsterdam, Druiventocht te Naaldwijk, Eilandspoldertocht te De Rijp, Biesbostochten, enz.
Het klapstuk was wel tijdens de Pinksterdagen van 1968 een kanotocht op stromend water op de Ourthe in Belgie. De Brussels Kayak Club (B.K.C.) organiseerde een groots evenement in de omgeving van La Roche in de Ardennen. De douaneformaliteiten waren toendertijd nogal ingewikkeld. Alle kano's werden voorzien van een douaneloodje met een nummer erin, en een van veel stempels voorzien formulier begeleidde het transport. Het Belgische snelwegennet was nog niet ontwikkeld en daarom bereikte de karavaan pas na een hele dag rijden het stadje La Roche. De acht houten RCC-kano's waren wel erg opvallend tussen de ca. 1000 polyester kano's.
Na een geslaagde kanotocht keerde het gezelschap huiswaarts met twee zwaar beschadigde boten
(door de stuw boven Hotton) en een, fraai wandbord voor de prijzenkast. In tweeërlei opzicht was deze Belgische ervaring erg verfrissend : de kennismaking met stromend water en de kennismaking met de mogelijkheden van, polyester voor kanobouw. Ook de aloude Poldertocbt via Capelle a/d IJssel, Nieuwerkerk, Zevenhuizen en de Rotte blijft een veel bevaren traject. De jaarlijkse Brielle-Stertocht en de Zilvertocht naar Schoonhoven zijn door het drukke scheepvaartverkeer op de grote rivierer, helaas niet meer in groot georganiseerd verband mogelijk.
Voor de gang van zaken in en om het clubgebouw moet de legeridarisch geworden figuur van Rinus van der Sman, worden genoemd. Zijn doen en laten, was bepalend voor de koers van, de vereniging. Zijn humeur was bepalend voor de sfeer. Voor de R.C.C. altijd een harde werker : hij pleegde groot en klein onderhoud, deed vooral die dingen die niemand opvallen maar die toch hard nodig zijn en die ook nimmer gewaardeerd worden. Altijd bereid, gevraagd of ongevraagd, iemand met raad en daad bij te staan, om een mening te geven. Motor van het clubleven, brenger van gezelligheid. Als Rinus er was (en hij was er altijd !) brandde de potkachel en was er iets te bepraten. Initiatiefnemer tot het maken van kanotochten, tafeltennis- en biljarttoernooi, Paaseierzoektocht en beheerder van de kantine. Medeopvoeder van veel jongelui die nu nog de kern vormen van watersportverenigingen aan de Plas. Zijn befaamde uitspraken leven nog in hen voort. Als blijk van waardering wordt hem in 1972 het erelidmaatschap verleend, waarvan, hij slechts vier jaar heeft kunnen genieten.
1970-1980: De introductie van het polyester
De toegenomen welvaart in de zeventiger jaren die velen in staat stelde een eigen auto aan te schaffen en de strijd van de overheid tegen de algehele bewegingsarmoede (trimaktie, sport-réal, Nederland-ok ) zijn twee ontwikkelingen die een gunstige invloed hebben gehad op de kanosport in Nederland.
Ook de R.C.C. heeft hiervan een graantje meegepikt. Door het gebruik van polyester bij de kanobouw zijn de bootjes heel wat lichter dan voorheen, waardoor ze gemakkelijk op een autodak vervoerd kunnen worden. Men is dan niet langer afhankelijk van een botenwagen en van andermans vervoer. Polyester biedt tevens de mogelijkheid te varen op snelstromende rivieren, waarbij men onherroepelijk in aanraking komt met ondiepten, stenen, rotsblokken e.d.<>
De eerste kennismaking met stromend water in België
krijgt dan ook spoedig een vervolg. De Ardennenriviertjes zijn voor een weekend net bereikbaar (+ 275 km) en worden een, geliefkoosd reisdoel. Veel bevaren worden de Ourthe, Ambl ve (Amel), Semois, Lesse, Lomme, Our, enz. Het jaarlijkse Paasevenement te Wanlin aan de Lesse en de Pallietertochten te Lier kunnen altijd wel op een 25-tal RCC-deelnemers rekenen. In de vakantieperiodes worden verderaf gelegen doelen bezocht: vooral in trek zijn in Frankrijk de Ardéche, Verdon, Var, Durance, Ubaye, Loire, Isere. In Oostenrijk de Drau, Gail, Inn. In deze landen is de wildwatergraad zodanig dat het is aan te bevelen eerst een speciale kanocursus te volgen waarbij de wildwatertechniek wordt onderricht. Ook het materiaal moet aan deze on-Nederlandse tak van de kanosport zijn aangepast : een korte wendbare kano (+ 4 m lang), waterdicht spatzeil, stevige peddel, zwemvest, helm, neopreenpak, drijfvermogen in de boot. Het botenmateriaal in de RCC kanostalling is dan ook sterk gewijzigd.
Zagen we tot + 1970 hoofdzakelijk houten kano's, na deze tijd komen er steeds meer polyester modellen, meestal van een kanobouwer, soms zelfbouw. Het "houten" tijdperk is zo goed als voorbij. Een andere eis die het wildwatervaren aan de kano's stelt is de beheersing van de eskimoteerkunst. Daarom wordt 's winters wekelijks een uurtje eskimoteerles gegeven in een zwembad. De leden zijn hierbij elkaar behulpzaam. Deze winterse aktiviteit, naast de vele andere, houdt de vereniging levend en het clubverband sterk.
Het deelnemen aan evenementen van andere verenigingen
geeft min of meer de verplichting zelf ook eens iets te organiseren en anderen daarvoor uit te nodigen. Ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de vereniging werd, naast een receptie, reunie voor oudleden en een feestavond, een kanotocht door de Alblasserwaard gehouden.
De molentocht bij Kinderdijk (1974)
Vooral van Belgische en Duitse bekenden was er grote belangstelling voor deze 30-Molentocht. Jaarlijks werd het evenement herhaald. Aanvankelijk konden de deelnemers hun kampement opslaan aan het Kralingse strandbad, maar toen dit door allerlei overheidsmaatregelen niet meer mogelijk was, moest men uitwijken naar de officiële camping aan de Kanaalweg. Hierdoor werd het deelnemersaarital geleidelijk kleiner en daarom werd besloten dat het evenement van 1982 voorlopig het laatste moest zijn.
Reacties over de geschiedenis zijn welkom stuur ze naar
![]()
