De Geschiedenis van RCC: 1945-1960
Naoorlogs Nederland verkeerde lange tijd in een opbouwperiode.
Tijd en geld voor sport en ontspanning waren schaars. De jaren 1945 tot 1960 kunnen dan ook bepaald niet als een hoogtepunt worden beschouwd voor de kanosport in Rotterdam.
Het bestuur, bestaande uit voorzitter de Wit, secretaris Vermaas en penningmeester Wigman, zag zich genoodzaakt "vreemde" boten een stallingplaats aan te bieden, om de geringe belangstelling voor de kanosport financieel op te vangen. Het aantal leden bereikte een dieptepunt in 1948; achttien, in de vijftiger jaren kwam het niet boven de dertig.
R.C.C. en buurvereniging Never Dry werden in die tijd beurtelings geteisterd
door een groepje jongelui dat zich op alle mogelijke en onmogelijke manieren heeft uitgeleefd. Als ze het weer eens te bont maakten of ruzie kregen met een bestuur, verhuisden ze als groep naar een andere vereniging en zetten daar hun activiteiten voort. Daarvan enkele staaltjes: Het clubzaaltje van Never Dry werd regelmatig verhuurd voor familiefeestjes, recepties, enz. De eigen leden werd de toegang dan ontzegd. Voor, tijdens en na zo'n gelegenheid werden de kanoveldflessen van de troep heimelijk gevuld met de overvloedige aanwezige drank. Ook had de nietsvermoedende huurder dikwijls op raadselachtige wijze plotseling een tekort aan gebak.
Paul Hoogmoed, toen lid van Never Dry, weigerde een keer het clubgebouw te verlaten
toen het weer eens verhuurd was. Hij besloot in zijn kano te gaan slapen, in de kanostalling. Hij ontwaakte toen z'n boot door een feestganger voor een urinoir werd aangezien.
Ook een muziekband oefende regelmatig in het huurzaaltje. De op zolder opgeslagen blaasinstrumenten waren een gewillig speelobject voor onze kano-bende. Het gerucht dat de muzikanten leden aan een afschuwelijke lipziekte maakten een einde aan de alternatieve kano-band.
Knoeien met carbid: vooral in een oude melkbus met het deksel er stijf op gaf een leuk effect.
Totdat de politie bij de R.C.C. aanbelde, gealarmeerd door buurtbewoners. Iedereen vluchtte in zijn kastje, een liet de politie binnen en nam alles schuld op zich. Zwaan had zich op het dak verborgen en durfde daar pas 's avonds laat af te komen. Lopend door het Jaffa ontlokte diezelfde Zwaan aan het baldadige groepje de kreet: "Van Kleef is een boef". Aangezien er in die straat veel naambordjes deze familienaam vertonen, werden ze al gauw achtervolgd door woedende Van Kleefs. Na diverse rake klappen bereikten ze de club, waar de buitendeur gebarricadeerd werd.
De eerste R.C.C.-kantine kwam in deze tijd tot stand.
Wim Zwaan bezat enige handelsgeest en verkocht flesjes limonade, chocomel en enkele versnaperingen. Al spoedig stond menigeen flink bij hem in de schuld. Zijn onderneming leed schipbreuk, toen zijn chocolade-muizen echt haar kregen: schimmel ! Zelfs nadat hij ze had opgepoetst bleken ze nog onverkoopbaar.
De nieuwe verkering van Alice Voets viel niet in de smaak. Hij was hooghartig en bovendien rechercheur. Daarom werd zijn glimmende dienstfiets een keer hoog in de nok van het clubgebouw opgehangen, toen hij even niet keek. Het naar beneden halen ging sneller dan goed was voor het rijwiel, dat hierdoor zwaar gehavend werd. Ze zouden er wel meer van horen, maar gelukkig ging de verkering bijtijds uit.
Het gluren naar twee tortelduifjes door de houten scheidingswand tussen R.C.C. en Never Dry,
door het gat van een uitgevallen kwast, leverde een van de gluurders een biljartkeu in het oog op. En wat te bedenken van een bloeiende handel in ondeugdelijke voorbehoesmiddelen? De gevolgen bleven dan ook niet uit....
Er werd tussendoor ook nog gevaren. Vooral de Rottemeren waren erg in trek voor dagstochten of voor een weekeinde.
Om de snelle R-4-S beter te kunnen bij houden met zijn R-1-s, spijkerde Gerrit Spiering een groenteblik aan de bodem van de 4 persoons. Ook de Biesbos was een geliefd reisdoel, hoewel niet zo gemakkelijk bereikbaar. Er moest dan heel wat gebeuren voor een weekend varen. Op vrijdagavond ging het per kano naar het Wantij. ,Dan per trein terug naar Rotterdam, want op zaterdagmorgen moest er in die tijd nog worden gewerkt. 's Zaterdagsmiddags op de fiets naar Wantij, waar bij het paviljoen"Jolly"overnacht werd. Op zondag kon er dan in de Biesbos gevaren worden. 's Zondagsavonds ging het weer terug op de fiets naar Rotterdam en in de loop van de week of het volgende weekend werd de kano weer naar Rotterdam gevaren.
Reacties over de geschiedenis zijn welkom stuur ze naar rcc@kanorotterdam.nl
