De Geschiedenis van RCC: 1932-1940
Het ontstaan van de Kralingse Plas
De Kralingse Plas en de Bergse Plassen zijn ontstaan door de winning van veengrond ten behoeve van turf. Met een baggerbeugel, een soort schepnet aan een lange stok, werd het veen opgebaggerd. Daarna werd het op eilandjes en op de oevers gedroogd en tot turf verwerkt. Zo ontstonden de grillige plassen met vaak heel diepe gedeelten en kleine eilandjes.
Toen het uitgraven van veengrond gemeengoed was geworden, kwam de overheid met bepalingen en straffen om de kwalijke gevolgen van het veersteken tegen te gaan. Immers, de oevers van de veenplassen werden afgegraven en bij een flinke storm werd door de sterke golfslag steeds meer grond weggeslagen.
Zo kwam het dorp Cralingen op een zeer smalle reep niet-afgegraven grond te liggen, terwijl de plassen eromheen zich uitstrekten van Rotterdam tot Moordrecht, Zevenhuizen en Waddinxveen. De kleine nederzetting aan de Veenweg had geen bestaansmogelijkheid meer en de inwoners verhuisden halverwege de 19e eeuw naar het nieuwe Kralingen nabij de Oudedijk.
Veel van deze veenplassen zijn door windmolens weer drooggemalen. De Prins Alexanderpolder met name werd drooggelegd en is met zijn zes meter beneden N.A.P. de diepste polder van Nederland.
De Kralingse Plas, toen nog Noordplas geheten, kreeg na de annexatie van Kralingen door Rotterdam in 1895 officieel zijn huidige naam. Dat deze plas niet drooggelegd is, is waarschijnlijk te danken aan een invloedrijk Rotterdammer die vanuit zijn buitengoed Rozenburg een mooi uitzicht had op de Plas. Hij wist droogleggen te voorkomen.
In 1911 besloot de gemeenteraad van Rotterdam een groot bos rondom de Plas aan te leggen. De omgeving van de Plas werd opgespoten met grond afkomstig uit de Merwehaven en Waalhaven die toen gegraven werden. Later, na de Tweede,Wereldoorlog werden de steeds maar afbrokkelende oevers versterkt met het puin uit de gebombardeerde binnenstad, waardoor de totale wateroppervlakte aanzienlijk werd verkleind.
Het ontstaan van de Rotterdamsche Cano Club 1932 tot 1940
De honderden kano's aan de Kralingsche Plas, zoals het toen nog gespeld werd, werden in augustus 1932 aangevuld met het trotse bezit van Jo Aussems: een tweepersoons, zelfgebouwd, naar eigen ontwerp. Met vele sterke handen werd het loodzware ge"vaar"te van een hoge Rotterdamse zolder naar straatniveau getransporteerd en vervolgens naar een werfje genaamd Klappe aan de Lange Kade gebracht, ter hoogte van het huidige strandbad.
Dat die zware bak toch nog niet zo'n slecht ontwerp was, bewees de uitslag van de kanowedstrijd die werden gehouden op Koninginnedag 31 augustus 1932.
Deze wedstrijden stonden onder auspiciën van de Rotterdamsche Sportcommissie voor Nationale Feestdagen. Jo Aussem veroverde samen met vriendin Willy Marechal een eerste plaats in hun tweepersoons en werden als winnaars getrakteerd op "scheerzeep en ijs". Dit evenement was voor de langzamerhand ontstane vriendenkring van kanovaarders van werf Klappe aanleiding de koppen bij elkaar te steken, teneinde gezamenlijk naar een hechtere onderlinge band te zoeken. Dit leidde ertoe dat enkele dagen later de Rotterdamsche Cano Club werd opgericht.
Als officiële oprichtingsdatum werd 1 september 1932 aangehouden.
Het eerste bestuur bestond uit: voorzitter Henk Martens, penningmeester Koos Boodt en secretaris Jo Aussems. Deze laatste is te beschouwen als de initiatiefnemer tot het oprichten van de R.C.C. Natuurlijk moet een vereniging een eigen onderkomen hebben: een welwillende Klappe stelde hiertoe een schuurtje op zijn werf beschikbaar. Dit deed dienst als voorlopig clubgebouw, genaamd de " wigwam". De kano's werden buiten gestald.
Al spoedig echter ging het verlangen uit naar een rianter onderkomen, waar de kano's ook binnen gestald zouden kunnen worden. Toen dan ook een directiekeet, die na de voltooiing van de bouw van de Parksluis overbodig was geworden, te koop werd aangeboden, rook R.C.C, haar kans.
De verkoop ging bij inschrijving en men besloot een kansje te wagen voor F500,-. Grote teleurstelling toen bleek dat een particuliere werf aan de Plas F550,- had geboden. Maar, hierover net bijtijds ingeseind, verhoogd R.C.C. het bod tot F 555,- en de koop werd gesloten. Het was een fors bedrag voor die tijd (economische crisis) maar een deel van de inventaris kon weer worden verkocht. Van de drie kachels, een volledige keukenuitrusting, tafels en stoelen en vele kilo's loodleiding kon een gedeelte voordelig van de hand worden gedaan. Nu moest er gewerkt worden!
De keet moest worden gedemonteerd, op een vrachtwagen worden geladen en naar werf Klappe worden gebracht. Aldaar begon de montage. Tijdens dit karwei viel plotseling de winter in: een zeer strenge! Hierdoor kwam de bouw geruime tijd stil te liggen. Van de nood werd echter een deugd gemaakt en het halfvoltooide clubgebouw werd omgetoverd tot een koek-en-zopietent tot heil van de vele schaatsers op de Plas. Deze handelsgeest van de leden bracht maar eventjes F 300,- op, waarmee meteen het grootste gedeelte van de aankoopsom van het clubgebouw terug verdiend was.
Na deze winterse bouwstop werd het clubgebouw gereed gemaakte en op 14 mei 1933 met veel feestelijk vertoon officieel geopend.
Het adres luidde: R.C.C. Lange Kade 212. Een gevoelige kwestie die destijds een belangrijke rol speelde, mag zeker niet onvermeld blijven: het contact tussen jongens en meisjes. In het clubgebouw werd een strenge scheiding gehandhaafd tussen de jongens en de meisjesafdeling. Een en ander stond onder de nimmer aflatende controle van Klappe. Desondanks bood de kanoclub de jongelui die vrijheid die ze thuis zo node misten.Buiten, op de Plas, was toezicht niet mogelijk, dus daar had men alle vrijheid. ook de kleding was een teer punt. Toen eens een degelijk paar zijn ( eveneens degelijke?) dochter kwam aanmelden als lid, zag het tot zijn verbijstering meisjes in lange broek! Na een korte instapdemonstratie moesten ze erkennen dat een lange broek minder aanstotelijk bloot liet zien dan een rok. Maar als supporters zijn ze niet naar huis gegaan.........
Al spoedig evenwel vertoonden zich donkere wolken boven het jonge R.C.C.
De gemeente Rotterdam had een bestemmingsplan ontwikkeld met betrekking tot de Kralingse Plas en directie omgeving: het zgn. Bosch-en Parkplan.
Dit reeds in 1911 door de gemeenteraad aangenomen plan behelsde het opspuiten van de aan de Plas grenzende landbouwpolders met grond uit de Merwehaven en uit de Waalhaven, die toen gegraven werd, de aanleg van een groots opgezet park, inclusief vijvers, een strandbadaan de Plas enz. Alle over de Plas verspreide watersportverenigingen en werfjes moesten worden opgeheven of werden gedwongen te verhuizen naar de zuidwesthoek, waar een nieuwe, gezamelijke haven werd gegraven en waar grond ter beschikking werd gesteld voor clubgebouwen en terreinen. Tevens zou het Kralingsche Verlaat een nieuwe uitgang van de Plas worden, ter vervanging van de oude sluis aan de Libanonweg.
Door de uitvoering van deze plannen was werf Klappe gedoemd te verdwijnen en dus ook de R.C.C. Een verzoek van het bestuur de vereniging te mogen vestigen op een der vele eilandjes werd door de Gemeente afgewezen. Het kon echter nog wel enige jaren duren voordat een nieuw clubgebouw aan de nog te verlengen Kralingse Plaslaan gereed zou komen.
Men liet het oog vallen op een van de vijf loodsen van de toenmalige touwbaan, eveneens aan de Lange Kade. Het kostte heel wat moeite de eigenaresse ervan, een zeer principieel Leger-des-Heilslid, ervan te overtuigen dat de RCC-jongeren keurige lieden waren die niets deden wat mensen van die leeftijd nu eenmaal verboden was. Het kostte eveneens zeer veel moeite het grootste deel van de leden deze noodbehuizing te laten aanvaarden. Een minderheid drukte door: men moest wel.
Het bestaande clubgebouw, de directiekeet, werd ontruimd en verkocht aan watersportvereniging " De Leede" aan het Vernemeer. Aangezien deze vereniging nogal slecht bij kas zat, werd de overnameprijs gedeeltelijk uitbetaald in obligaties. In de "Paardenstal", zoals het noodonderkomen intussen smalend werd genoemd, moest hard aangepakt worden. Allereerst de vloer: de met een dikke laag wagensmeer bevuilde tegels werd stuk voor stuk gekeerd, midden in de loods kwam een scheidingswand van kippengaas beplakt met restanten rollen krantenpapier van de Voorwaarts. Ook de bereikbaarheid van het water was niet optimaal.
Direct achter de loods liep een dikke buisleiding die was gebruikt tijdens het opspuiten van de voor het nieuwe bos bestemde polders. Van het belendende perceel van een tuinder werd twee meter grond gehuurd om toegang tot het water te verkrijgen. Om niet iedere keer weer de massieve kano's over de hoge buisleiding te moeten tillen, werd besloten een gedeelte hiervan te slopen: de Gemeente kneep een oogje dicht. Het terrein werd afgezet met draad, gras gezaaid en klaar was het derde onderkomen. Hoewel niet ideaal, gaf de Paardenstal toch een mogelijkheid de grootste herverkaveling rond de Kralingse Plas te overleven.
De Gemeente Rotterdam bood de drie kanoverenigingen
K.V.C ( Kralingsche Cano Vrienden) K.C.C. ( Kralingsche Cano Club) en de R.C.C. ( Rotterdamsche Cano Club) een stukje grond langs de nieuw gegraven haven. De drie verenigingen moesten zich naast elkaar vestigen: drie onder een kap. De financiën voor verhuizing en vestiging moesten zelf opgebracht worden. De door Jo Aussems gemaakte bouwtekening voor het nieuwe onderkomen werd verscheidene malen afgekeurd. M.b.v. ing.Kraayevanger kwam een ontwerp tot stand dat de toets der kritiek van de overheid kon doorstaan. De totale bouwkosten bedroegen F 2300,- een enorm bedrag voor die tijd voor een kleine vereniging. Het RCC-gedeelte van de bouwsom werd bijeengeschraapt uit het weinige kasgeld en d.m.v. een lening bij de leden.
Na het gereedkomen van de ruwbouw werd de grond in en om het clubgebouw opgehoogd met puin van de zojuist afgebroken Oosterkerk, waardoor de R.C.C. met recht een vereniging op Christelijke grondslag genoemd kon worden. Natuurlijk was er meer voor nodig. Het gebouw was opgeleverd met alleen scheidingswanden tussen de afzonderlijke verenigingen. De splitsing tussen clubgebouw en kanostalling moest in eigen beheer gemaakt worden. Theekist-triplex werd plaat voor plaat bij elkaar gespaard en ook met dezelfde tussenpozen verwerkt. Ook moest het worden ingericht, de tuin moest worden vlak gemaakt en er waren steigers nodig.
Door zelfwerkzaamheden van de leden konden de kosten zoveel mogelijk beperkt blijven.Dit was wel nodig ook, want de financiële middelen waren totaal uitgeput. Een voordelige, maar arbeidsintensieve transactie was de aankoop van hout vor de vloer van het clubzaaltje. Aan de Oudedijk werd de zgn. "Kindersluis" gesloopt ( staat nu aan de Kralingse Plaslaan) De reeds honderdjarige vloer werd plank voor plank van de eerste verdieping losgewrikt en overgebracht naar het nieuwe clubgebouw. Daar heeft hij nog bijna dertig jaar dienst gedaan.
De vloer van de kanostalling bestond uit koolas.
De kanorekken vormen een verhaal apart. Leen Verweijmeren werkte op scheepswerf Piet Smit. Wie appelen vaart, die appelen eet, dus kanosteunen waren gauw " versierd". Het probleem was ze ongezien langs de portier van de werf af te krijgen. Hij vond een oplossing door ze allemaal aan een lang touw te knopen en ze met een drijver eraan in de Maas te gooien.
Op een 's zondags kanotochtje vonden enkele RCC'ers toevallig
Een hoeveelheidijzer aan een drijver, enz., enz........Het verhaal wordt steeds eentoniger: met weinig middelen moest veel gepresteerd worden en er werd ook veel gepresteerd! De steigers werden 's winters gemaakt. Palen uit Amersfoort werden met een zelfgebouwde heistelling ( twee lange palen met een blauwe stoeprand ertussen als heiblok) de grond ingewerkt. Het steigerdek bestond uit hout uit de te slopen bakkerij van Koos Boodt. Voor één cent per stuk schaafde een werkplaatsje in het Jaffa er uitstekende steigerdelen van. Om de tuin begaanbaar te maken werd er bij het bouwterrein van de nieuwe sluis grond weggekruid. Aan een boom zo vol geladen......... moet men gedacht hebben. Ook de damesleden lieten zich bij al deze werkzaamheden niet onbetuigd, trokken een overall aan en deden dapper mee.
In 1936 was het eindelijk zover dat de nieuwe accomodatie
In gebruik kon worden genomen. Er waren echter nog veel zorgen. Ter aanvulling van het kasgeld was het noodzakelijk ook zeil-en roeiboten te stallen. Het eerste jaar stalling bracht hierdoor F 80,- extra op. KANO-ACTIVITEITEN. Tot nu toe is het kanovaren uit deze eerste periode van de R.C.C. onbesproken gebleven, hetgeen erop zou kunnen duiden dat varen maar bijzaak was. Het tegendeel is echter waar. Reeds vanaf het begin van het ontstaan van R.C.C. werd deelgenomen aan wedstrijden. Onderlinge wedstrijden op de Plas, bij verenigingen in de directe omgeving of in N.K.B.- verband, Er heeft zelfs enkele jaren een fanatiek clubje wedstrijdvaarders bestaan dat zich de " Plasracers"noemde. Men rekruteerde de leden uit bestaande kanoverenigingen aan de Plas. Wellicht het feit dat damesleden geen lid konden worden heeft de Plasracers een vroegtijdig einde bezorgd.
Bekende namen uit deze elitegroep waren:
Willem Determan, Huib van Mastrigt, Rietveld, Bornkamp. Anecdotes te over uit die tijd: Zo waren er op Koninginnedag, 31 augustus, kanowedstrijden op de Schie ( na het bombardement van 1940 gedempt met puin uit de stad, nu Schiekade geheten). De wedstrijden zouden worden gehouden na het verslag van de voetbalwedstrijd Holland - Belgie, waarbij Han Hollander het verloop van de strijd vertoonde op een groot aanwijsbord. Door een tropische regenbui kon de wedstrijd niet doorgaan. Om de kano's terug te varen naar de Kralingse Plas wilde men overdragen naar het water van het Haagse Veer en vandaar via de Rotte naar de Plas varen. Na veel moeite slaagde er enkeling erin tegen de hoge, steile kademuur op te klauteren, waar hij direct in zijn kraag werd gegrepen door een dienstdoende brigadier van de politie, die hem onverwijld naar het bureau bracht. Daar kreeg hij te horen dat de heren kanovaarders aanstootgevend waren gekleed: singlet en "korte" broek tot op de knie. Mede door het in grote getale protesterende publiek werd hij al gauw weer vrijgelaten. In triomf werden de kano's en vaarders door de toeschouwers overgedragen..................
Bij een uitnodiging voor een wedstrijd in Hillegersberg
Stond vermeld dat " gekleed-zijn" zeer op prijs zou worden gesteld; er werden o.a. Shirts met lange mouwen geëist. R.C.C. besloot aan deze wens meer dan tegemoet te komen: behalve het gewone sporttenue bestaande uit sporthemd en sportbroek, droegen de deelnemers zwarte hoge hoeden van papier, losse boorden met stropdassen, handschoenen en sokophouders. Er moest worden overgedragen bij de Bergse Plas, want de sluiswachter weigerde het vreemde gezelschap te schutten.
Een andere weigerachtige sluiswachter:
Bij een groep kanovaarders die na sluitingstijd bij een sluis arriveerde, bevond zich ook Piet Sprenger de Rover ( de maker van het clublied). De sluiswachter werd door hem uit zijn bed gebeld. Toen hij na een flinke borrel bleef bij zijn weigering en nog steeds niet schutte, kreeg hij er nog vijf. Hij viel daarop in diepe slaap en de sluis werd toen maar door de vaarders zelf bediend. Vakanties werden veelal doorgebracht met trektochten naar de oude Zuiderzee, Reeuwijk of de Biesbos.
Dit laatste gebied inspireerde Jan van der Est tot het volgende stuk poezie:
Ode aan de Biesbosch
O, wonderschoone wildernis
van griend en riet en breede snelle stroomen
Hoe zoet is het te droomen,
daar, waar Uw rust het diepst is. O, rietbeboschte eenzaamheid
van kreek en sloot en verre ijle luchten
Hoe gaarne zou ik vluchten daar,
waar mij hart genezing beidt
O, land dat straks het vruchtbaarst' is
van Neerlands grond, met volle gouden aren.
daar, waar de oogst het rijkst is.
van der EstOorlogszomer 1940. Clublied van de R.C.C.
Groen wit groen zijn onze kleuren,
groen wit groen staat bovenaan,
met die kleuren kan je geuren,
want daar kan niets boven gaan.
Gaan we 's zondags naar de Meren,
of ergens anders ook op aan,
van je hiep hiep, van je hop hop,
R.C.C. staat boven aan!
( op de melodie van pinda, pinda, lekka, lekka)
Piet Sprenger de Rover.
Reacties over de geschiedenis zijn welkom stuur ze naar rcc@kanorotterdam.nl
