| DE BOOMGAARDMAN In de Boomgaardstraat woont een man,
een corpulente man die kabouters verzamelt,
vol geloof en verwachting!
Want kabouters zijn in de grond
lief en zachtaardig.
Het zijn de volwassen kinderen
van de aarde! In de Boomgaardstraat woont een man,
een poetische man met een knotje achter zijn oren,
die in zijn rondingen leeft,
zonder scherpe kanten.
Die geen verandering kent
in zijn paradijsje,
buiten de vergankelijkheid
met zijn gevoel. En hij leefde nog lang en gelukkig | HET VASTELANDSCHAP Zij ziet ons niet!
Zij droomt!
Zij oogt haar visioenen,
in diffuse beeld
vervreemding. Op weg naar Ichtus hogeschool vertoeft zij
in het verhaal van haar wezen. Maar nog in vage dender
van het geordende
Metro-labyrint,
bestijgt zij nu lijfelijk
uit ondergronds
de rollende hemeltrappen. En zo verschijnt zij;
in de wereld die haar wacht
van mens en bouwselen. Zo verluchtigt haar schoonheid
het Vastelandschap hier ten dage
aan de rivier. O Ontvangenis!
Met gindse
rossige sprankel
aura om zich! |
| ROTTERDAM Als er een thuis is dan vanmiddag
nu de stad haar stroming voelt,
de Coolsingel glimlacht,
groene vlinders in de bomen.
We hebben lief,
de zin zweeft overal.
Zo heb ik de stad nog nooit gezien!
Met een verwaaide hemel nog
in schittering van zeeen. Boven de stad het Shellembleem,
een nieuwe zonnegod
het kruis van Christus is verdwenen. Maar het meisje op de lijnbaan,
haar zwanehals, heupdeinend,
langere benen zijn er niet,
verbaasde ogen in wimpering geheven,
de heldere singel vrouwelijker dan ooit
in haar raadselend lijf gesponnen. Als er een thuis is dan vanmiddag,
zo heb ik de stad nog nooit gezien! | MEESTER BLOK O Traan! Zie ik daar
mijn oude vriend Ad Blok
de schoolmeester van Delfshaven
de wolken bevolken! Ben ik gek geworden van verlangen?
Ach vriend jouw stem nog immer,
mijn dag,
mijn aloude hand.
Het doen
jouw meesterlijk fatsoen. Dag meester!
Deugd van mijn jeugd! |